Gecapitonneerd of gebombeerd.

Capitonneren en bomberen worden beide vaak, geheel ten onrechte, aangeduid als “capitonneren”.
Het zijn echter twee totaal verschillende stoffeertechnieken.

Tijd voor uitleg.

Capitonneren is een van de moeilijkste onderdelen van het meubelstofferen, en een zeer arbeidsintensief werk.
Bij capitonneren worden plooien in de bekleding gemaakt in de vorm van ruiten. Eén zo’n ruit noemen we een capiton.
Een capiton is in feite een “kussentje” omgeven door plooien, met op iedere hoek een (dieper gelegen) knoop.
Een capiton heeft geen vaste afmetingen.
De lengte en breedte van een capiton wordt voor ieder meubelstuk apart bepaald. Dit is helemaal afhankelijk van de vorm en de afmeting van het meubel, van de dikte van de ondergrond, en van de bekledingsstof.
Bij capitonneren  komt er dus heel veel rekenwerk aan te pas.
Een raster van ruiten moet worden berekend en uitgetekend op het onderwerk. En ook op de stof moeten vooraf de exacte plaatsen aangegeven worden voor de plaatsing van de knopen.

Bomberen is een totaal andere, en veel eenvoudigere techniek.
Op een vlakke ondergrond worden op de bekleding knopen vastgezet in de vorm van een ruit of een rechthoek. Om die vorm te accentueren kan de bekleding worden voorzien van stiknaden.
Bij deze techniek ontbreken  dus de plooien.
Konings